Wilde narcis
Wilde narcis
De naam is afkomstig uit de Griekse mythologie Narcissen zijn voorjaarsbollen en hebben een koude rustperiode nodig. Je vindt narcissen in vele soorten en kleuren: roze, oranje, rode, witte of gevlekte, dubbelbloemige bloemen, met grote gele trompetten of met trosjes van gele of witte bloemetjes. In tegenstelling tot bij de leliefamilie komt bij deze familie een onderstandig vruchtbeginsel voor.
De wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus) is een bolgewas dat oorspronkelijk voorkomt in weilanden, bossen en rotsige plekken. De wilde variant staat op de rodelijst als zeer zeldzaam en sterk afgenomen. Tegenwoordig wordt de plant veelvuldig gekweekt: de gekweekte vorm wordt vaak verwilderd aangetroffen.
De bladeren en de bloemstengel ontspringen uit een bol, die zeer giftig is. Wilde narcissen worden 20-35 cm hoog.
De bloemdekslippen zijn geel, de bijkroon (corona) is diepgeel en trompetvormig. Die trompet is ongeveer even lang als de bloemdekslippen of iets korter). De schede is bruin en papierachtig. De bloemen zijn knikkend bevestigd aan een iets afgeplatte bloemsteel. De wilde narcis bloeit alleenstaand. De plant bloeit in het voorjaar: van maart tot mei.
De bladeren zijn grijsgroen, lijnvormig en hebben een lengte van 12-35 cm. De wilde narcis draagt een doosvrucht.
Je kunt narcissen rustig laten verwilderen; ze vermeerderen zich vanzelf en elk jaar zullen er meer bloemetjes komen.
Soorten
Er zijn ongeveer 35 soorten narsissen De bekendste zijn: de trompetnarsis, de grootkronignarsis en de kortkronignarsis.
Classificatie van Narcissen
Narcissen worden ingedeeld in verschillende categorieën. De Royal Horticultural Society in Londen registreert alle soorten en omschrijft deze of het nu wilde soorten zijn of cultivars De volgende 12 categorieën worden gehandhaafd:
1: Trompet; 1 bloem per steel. De trompet is langer dan de bloemblaadjes.
2: Groot-kronig; 1 bloem per steel. De trompet is langer dan 1/3 van de lengte van de bloemblaadjes maar niet langer dan de bloemblaadjes zelf.
3: Klein-kronig; 1 bloem per steel. De trompet is niet langer dan 1/3 van de lengte van de bloemblaadjes.
4: Dubbel; 1 of meer bloemen per steel. Verdubbeling van bloemblaadjes of een dubbele trompet of beide.
5: Triandrus; 1 of meer bloemen per steel. Bloemblaadjes wijzen sterk naar achteren.
6: Cyclamineus; 1 bloem per steel. Bloemblaadjes wijzen naar achteren. Bloem naar de grond gebogen ten opzichte van de steel.
7: Jonquilla; 1 tot 5 bloemen per steel. Hol- of trechtervormig trompetje. Vaak geurend.
8: Tazetta; 3 tot 20 bloemen per (stevige) steel. Bloemblaadjes wijzen niet naar achteren. Vaak geurend.
9: Poeticus; meestal 1 bloem per steel. Bloemblaadjes zuiver wit. Cup zeer kort of schijfvormig, vaak geel met groen hart en soms oranje rand. meestal geurend.
10: Bulbocodium; meestal 1 bloem per steel. Zeer kleine bloemblaadjes in verhouding tot de grote cup.
11: Spleet-kronig, onderverdeeld in twee groepen:
a: Kraag-Narcis; de cup ligt opengeslagen over de bloemblaadjes. Meestal in 2 groepen
